Zoeken

Visie van de groep Broeders van Liefde in België op euthanasie bij psychisch lijden in een niet-terminale situatie

Organisatie Broeders van Liefde

Deze tekst formuleert de visie van de groep Broeders van Liefde in België op euthanasie bij psychisch lijden van patiënten met een psychiatrische aandoening in een niet-terminale situatie. De tekst is gebaseerd op de voortschrijdende reflectie en op eerdere documenten over het onderwerp. Achtereenvolgens bespreken we de tweetrajectenbegeleiding, de zorgvuldigheidsvereisten, en de besluitvorming en toetsing.

English version: 

version Française: 

Download de visietekst (NL) in pdf:

1. Tweetrajectenbegeleiding

Vanuit ethisch standpunt staan er drie waarden op het spel: de beschermwaardigheid van het leven, de autonomie van de patiënt en de zorgrelatie tussen patiënt en zorgverleners. In de tweetrajectenbegeleiding realiseren we deze waarden zoveel mogelijk en verbinden we ze met elkaar (Raad van bestuur, p. 3; Metaforum, p. 49). De beschermwaardigheid van het leven wordt bevorderd door het traject van het levensperspectief, terwijl de autonomie van de patiënt gerespecteerd wordt door het traject van het euthanasieverzoek. Omdat de waarde van de beschermwaardigheid zo belangrijk is in de groep Broeders van Liefde staat het traject van het levensperspectief voorop. De twee trajecten van levensperspectief en euthanasieverzoek worden met elkaar verbonden door in te zetten op de zorgrelatie, en dus op dialoog. Het is immers essentieel dat zorgverleners de patiënt niet afwijzen of in de steek laten in moeilijke situaties. Het bieden van levensperspectief en het ernstig nemen van het euthanasieverzoek zijn twee trajecten van dezelfde begeleiding.
Zorgverleners kunnen op verschillende wijzen omgaan met deze twee trajecten. Sommige zorgverleners vinden dat ze het bieden van levensperspectief en het opvolgen van het euthanasieverzoek niet kunnen combineren omdat beide trajecten verschillende doeleinden hebben. Ze kiezen ervoor om de twee trajecten aan verschillende zorgverleners toe te vertrouwen, of om het traject van het euthanasieverzoek toe te kennen aan zorgverleners buiten de groep Broeders van Liefde. Andere zorgverleners vinden het wel mogelijk om beide trajecten te combineren en op bepaalde momenten en in bepaalde posities meer de klemtoon leggen op het levensperspectief of op het euthanasieverzoek. In elk geval is het essentieel dat - wanneer de patiënt een euthanasieverzoek formuleert - beide trajecten aangeboden worden en dat zorgverleners met de patiënt, met elkaar en met andere betrokkenen over beide trajecten in gesprek blijven gaan. Beide trajecten behoren tot de begeleiding van de patiënt.

A. Het traject van het levensperspectief

De begeleiding wint aan geloofwaardigheid als er ook degelijke alternatieven voor euthanasie geboden worden die een levensperspectief aan de patiënt geven (Raad van bestuur, p. 2-3).
Een eerste alternatief is het verder uitbouwen en verbeteren van de bestaande behandeling die reeds wordt aangeboden vanuit een biologische, psychologische, sociale en existentiële benadering. Wat kan bijvoorbeeld bijgestuurd worden aan de medicatie, de therapieën of zinvolle dagbesteding?
Een tweede mogelijkheid is het verder uitbouwen van herstel en psychiatrische rehabilitatie. Wat kan vanuit een herstelvisie gedaan worden om de autonomie en de participatie van mensen met ondraaglijk en uitzichtloos psychisch lijden toch te verhogen en hun kwaliteit van leven te verbeteren?

Een derde mogelijkheid is het uitbouwen van psychiatrische palliatie. Hoe kan palliatieve zorg die gericht is op het verlichten van het lijden en van andere problemen van lichamelijke, psychosociale en spirituele aard, betekenisvol zijn voor patiënten die psychisch lijden in een niet-terminale situatie?
Een vierde mogelijkheid is het verder uitbouwen van begeleiding van zinbeleving. Het verzoek om euthanasie heeft te maken met de zin van leven dat men leidt. Door mensen die hiervoor open staan op een intensieve manier te begeleiden in het werken met hun eigen levensverhaal, daarin bronnen van zinbeleving te zoeken en van daaruit een doel en project voor hun leven te ontwerpen, kunnen ze er in slagen zin in hun leven te vinden. Dit is een taak voor alle zorgverleners en niet enkel voor pastores.
Deze alternatieven zijn geen nieuwe vormen van zorg, maar bestaande elementen van goede zorg die de zorgverleners opnieuw evalueren, bijsturen en met grotere intensiteit aanbieden. Voorwaarde is wel dat de patiënt toestemt. Bovendien is het belangrijk de naastbetrokkenen zoveel mogelijk bij deze zorg te betrekken. Deze elementen van goede zorg hebben ook een preventief karakter.

B. Het traject van het euthanasieverzoek

Het tweede traject in de begeleiding neemt het verzoek tot euthanasie ernstig door de vraag te verhelderen en te toetsen aan de wettelijke voorwaarden.
Deze verheldering en toetsing zijn cruciaal en gebeurt aan de hand van specifieke zorgvuldigheidsvereisten (Ned. Ver. Psychiatrie, p. 29-51; Centrale supportgroep, p. 4-19). De achterliggende idee is dat de wet op de eerste plaats geschreven is voor fysiek lijden in een terminale situatie. De twee bijkomende voorwaarden voor een niet-terminale situatie, met name de consultatie van een derde arts en een wachttijd van één maand, schieten tekort voor de complexe situatie van euthanasie bij patiënten omwille van psychisch lijden. Daarom vullen we de voorwaarden van de wet aan met bijkomende zorgvuldigheidsvereisten voor psychisch lijden in een niet-terminale situatie. We formuleren de zorgvuldigheidsvereisten in een afzonderlijk deel omdat ze niet uitsluitend betrekking hebben op het traject van het verzoek tot euthanasie, maar ook op het traject van het levensperspectief.
Het toepassen van bijkomende zorgvuldigheidsvereisten is conform de wet die bepaalt dat de wettelijke voorwaarden dienen nageleefd te worden “onverminderd bijkomende voorwaarden die de arts aan zijn ingrijpen wenst te verbinden” (Wet euthanasie, art. 4, par. 2).

C. Ondersteuning van zorgverleners

Er zijn verschillende mogelijkheden om de zorgverleners in de tweetrajectenbegeleiding te ondersteunen (Raad van bestuur, p. 3-4). Een eerste initiatief is de Centrale Supportgroep Levenseinde. Deze groep werkt voor de Vlaamse psychiatrische centra in de groep Broeders van Liefde, is interdisciplinair samengesteld en doet een beroep op externe experten. Een behandelend arts en team van een voorziening kan de Centrale Supportgroep om advies vragen mits de betrokken patiënt daartoe toestemming geeft. Het advies heeft betrekking op beide trajecten van de begeleiding en heeft een onafhankelijk en objectief karakter omdat het gegeven wordt door een instantie die extern is aan de voorziening. De arts en het team behouden hun autonomie in de begeleiding van de patiënt. Als richtlijn voor de begeleiding heeft de Centrale Supportgroep zorgvuldigheidsvereisten uitgewerkt.
Een tweede initiatief is de Lokale Supportgroepen Levenseinde. Deze groepen werken voor één voorziening of enkele voorzieningen uit dezelfde omgeving, zijn interdisciplinair samengesteld en kunnen een beroep doen op externen. Een behandelend arts en team kunnen de Lokale Supportgroep om advies en ondersteuning vragen, en de betrokken patiënt geeft daartoe toestemming. Het advies heeft betrekking op beide trajecten van de begeleiding. De Lokale Supportgroep kan ook praktische ondersteuning bieden. De arts en het team behouden hun autonomie in de begeleiding van de patiënt.

Een derde mogelijkheid is het beroep doen op LEIF-artsen (LevensEinde Informatie Forum). Dit is het meest aan de orde als het verzoek van de patiënt om euthanasie aanhoudt, de alternatieven voor euthanasie geen levensperspectief bieden, en de uitvoering van euthanasie overwogen wordt. Dan kunnen de arts en het team, rekening houdend met de eventuele adviezen van de Centrale en/of Lokale Supportgroep, een beroep doen op een LEIF-arts uit de omgeving. Deze arts kan verder advies geven en ondersteuning bieden bij de uitvoering van euthanasie

2. Zorgvuldigheidsvereisten

Om het traject van het levensperspectief en het traject van het euthanasieverzoek concreet te maken, hebben we zorgvuldigheidsvereisten opgesteld. Het toepassen van deze zorgvuldigheid geeft de zorgverleners een concreet houvast voor beide trajecten van de begeleiding. Er zijn zowel inhoudelijke als vormelijke vereisten. Ze sluiten aan bij de wettelijke voorwaarden, maar specifiëren en concretiseren ze voor het psychisch lijden van patiënten met een psychiatrische aandoening in een niet-terminale situatie. Ze waarborgen dat we met de grootste zorgvuldigheid omgaan met het euthanasieverzoek en dat de uitvoering van euthanasie bij psychisch lijden in een niet-terminale situatie een hoogst uitzonderlijk karakter heeft.

A. Inhoudelijke zorgvuldigheidsvereisten

We stellen drie inhoudelijke zorgvuldigheidsvereisten voor die aansluiten bij de wettelijke voorwaarden. We vragen aan artsen en zorgverleners ze toe te passen om zo de grootst mogelijke zorgvuldigheid te bereiken. De eerste twee concretiseren het traject van het verzoek tot euthanasie, de derde het traject van het levensperspectief.

1. Wilsbekwaam verzoek

De eerste zorgvuldigheidsvereiste betreft het wilsbekwaam verzoek: vrijwillig en overwogen, herhaald en duurzaam. Deze vereiste verwijst naar de wet die stelt dat de “patiënt een handelingsbekwame meerderjarige, of een handelingsbekwame ontvoogde minderjarige, […] is en bewust is op het ogenblik van zijn verzoek” (Wet euthanasie, art. 3, par. 1). Verder stelt de wet dat “het verzoek vrijwillig, overwogen en herhaald is, en niet tot stand gekomen is als gevolg van enige externe druk” en dat de arts zich moet verzekeren van “het duurzaam karakter” van het verzoek (Wet euthanasie, art. 3, par. 1-2). De zorgvuldigheidsvereiste dat het verzoek vrijwillig, overwogen, herhaald en duurzaam is, betekent dat de patiënt voldoende wilsbekwaam is voor deze beslissing.
Vrijwilligheid impliceert dat de patiënt onafhankelijk van dwingende invloeden van anderen tot dit verzoek gekomen is (Ned. Ver. Psychiatrie, p. 30). Patiënten zijn immers vaak afhankelijk van anderen en kunnen zich door druk of door een gevoel van schuld of last gedwongen voelen om euthanasie te vragen.
De overwogenheid betekent dat de patiënt bij zijn of haar verzoek onafhankelijk is van dwingende invloeden van binnenuit, die pathologisch van aard kunnen zijn (Ned. Ver. Psychiatrie, p. 30-33). Daartoe zijn er twee criteria. Ten eerste maakt de patiënt een duidelijke keuze om niet verder te leven met ondraaglijk en uitzichtloos lijden, en dus voor de dood. De keuze is echter meestal ambivalent en daarom is een verheldering van de betekenissen en boodschappen van het euthanasieverzoek noodzakelijk. Ten tweede maakt de patiënt een proces van afweging tussen kiezen voor verder leven met blijvende beperkingen en kiezen om niet verder te leven. Daartoe begrijpt de patiënt de informatie over zijn of haar situatie en vooruitzichten, en heeft de patiënt voldoende ziektebesef en zelfkennis. De patiënt houdt rekening met de gevolgen voor de naastbetrokkenen. De patiënt beargumenteert de keuze om niet verder te leven op een begrijpelijke en invoelbare wijze, binnen zijn of haar intellectuele mogelijkheden.
Ten derde is het verzoek van de patiënt herhaald en duurzaam (Ned. Ver. Psychiatrie, p. 33-34). Het duurzaam verlangen om niet verder te leven blijkt uit hoe dit verlangen ontstaan is en zich in de loop van de tijd ontwikkelt. Een periode van minimaal enkele maanden van weloverwogen en herhaald verzoek is noodzakelijk.

2. Medisch uitzichtloze toestand

De volgende zorgvuldigheidsvereiste gaat over de medisch uitzichtloze toestand. Dit sluit aan bij de wet die bepaalt dat de “patiënt zich in een medisch uitzichtloze toestand bevindt van aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden, en dat het gevolg is van een ernstige en ongeneeslijke, door ongeval of ziekte veroorzaakte aandoening” (Wet euthanasie, art. 3, par. 1). De zorgvuldigheidsvereiste specifieert de ondraaglijkheid en uitzichtloosheid van het lijden, en de medische oorsprong ervan.
Het aanhoudend en ondraaglijk karakter van het lijden is de subjectieve ervaring dat het lijden niet vol te houden is (Ned. Ver. Psychiatrie, p. 34-35). Toch zijn er elementen om dit te evalueren. Het inschatten van de ondraaglijkheid hangt af van de invoelbaarheid van het lijden en van de verhouding tussen draagkracht en draaglast. Het aanhoudend karakter is afhankelijk van het ontstaan en het verloop en van de duurzaamheid van het lijden.
De uitzichtloosheid van de medische toestand betekent dat er geen mogelijkheden zijn om het lijden te lenigen en de psychiatrische stoornis dus onbehandelbaar is (Ned. Ver. Psychiatrie, p. 35-36). Theoretisch gezien kan nooit gesteld worden dat de stoornis in de toekomst onbehandelbaar is of dat de gezondheidstoestand en het welbevinden van de patiënt in de toekomst niet zal verbeteren. Het is immers steeds mogelijk dat er nieuwe behandelingsmogelijkheden gevonden zullen worden of dat er spontaan herstel zal optreden. Praktisch gezien kunnen de zorgverleners de realisatie van deze mogelijkheden in de toekomst niet garanderen, terwijl het ondraaglijk lijden ondertussen voor de patiënt verder blijft duren. Daarom is het beter te spreken van ‘geen redelijk behandelperspectief’ dan van onbehandelbaarheid, zie de derde inhoudelijke zorgvuldigheidsvereiste.
Ten derde is er de medische grondslag van het lijden. Het is het gevolg van een ernstige en ongeneeslijke aandoening. Deze aandoening is dus medisch te diagnosticeren, wordt beschouwd als ernstig en ongeneeslijk, en is het gevolg van een ziekte of een ongeval. Euthanasie op basis van levensmoeheid of voltooid leven voldoet niet aan de voorwaarde dat het lijden een medische grondslag heeft en het gevolg is van een ziekte of ongeval.

3. Geen redelijke andere oplossing

De derde zorgvuldigheidsvereiste handelt over het levensperspectief en stelt dat euthanasie alleen verantwoord is als er geen redelijke andere oplossing is. Dit verwijst naar de volgende bepaling van de wet: de arts “moet met de patiënt tot de overtuiging komen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geen redelijke andere oplossing is en dat het verzoek van de patiënt berust op volledige vrijwilligheid” (Wet euthanasie, art. 3, par. 2). Dit impliceert dat er geen redelijk behandelperspectief meer is.
Een dergelijk redelijk behandelperspectief moet voldoen aan drie voorwaarden (Ned. Ver. Psychiatrie, p. 37-39). Ten eerste brengt de adequate behandeling zicht op verbetering. Onder adequate behandeling verstaan we dat alle biologische en psychologische behandelingen, alle sociale interventies en begeleiding van zinbeleving die aangewezen zijn voor de problematiek van de patiënt, werkelijk toegepast zijn. Ten tweede moet er zicht op verbetering zijn binnen een overzienbare termijn. Daarbij wordt rekening gehouden met de duur van de voorafgaande behandeling en van de voorgestelde behandeling. Ten derde moet er een redelijke verhouding zijn tussen de resultaten en de belasting. Het gaat om de verhouding tussen de omvang en kans van de te verwachten resultaten enerzijds en de belasting en neveneffecten van de behandeling voor de patiënt anderzijds. De inschatting van deze voorwaarden mag niet leiden tot therapeutische verbetenheid. Deze zorgvuldigheidsvereiste is uiterst belangrijk omdat ze de band maakt met het eerste traject van het levensperspectief voor de patiënt.
Vervolgens is het noodzakelijk dat de patiënt toestemming voor de behandeling geeft, bereid is en het zinvol vindt om mee te werken aan die behandeling (Ned. Ver. Psychiatrie, p. 39-40). Als de patiënt toestemming weigert, wordt dit beoordeeld vanuit de redelijkheid van het behandelperspectief. Er kan van uitzichtloosheid geen sprake zijn als de patiënt een redelijk behandelperspectief weigert. Bij de weigering van een redelijk behandelperspectief kan geen euthanasie uitgevoerd worden.
Ten slotte kunnen overdracht en tegenoverdracht een rol spelen bij de beoordeling (Ned. Ver. Psychiatrie, p. 40-41). Onmisbaar is het alert zijn voor en bespreekbaar maken van tegenoverdrachts-gevoelens, zoals gevoelens van angst of machteloosheid, of reddersfantasieën.

B. Vormelijke zorgvuldigheidsvereisten

De vormelijke zorgvuldigheidsvereisten sluiten aan bij de vormelijke voorwaarden van de wet, maar specifiëren en concretiseren ze voor het psychisch lijden van patiënten in een niet-terminale situatie.

1. Overleg met patiënt

De eerste vormelijke zorgvuldigheidsvereiste is het overleg met de patiënt. Dit verwijst naar de wet die stelt dat de arts de volgende opdracht heeft: “de patiënt inlichten over zijn gezondheidstoestand en zijn levensverwachting, met de patiënt overleg plegen over zijn verzoek tot euthanasie en met hem de eventueel nog resterende therapeutische mogelijkheden, evenals die van de palliatieve zorg, en hun gevolgen bespreken” (Wet euthanasie, art. 3, par. 2). In het geval van euthanasie in een niet-terminale situatie is er nog een bijkomende wettelijke vereiste: “minstens één maand laten verlopen tussen het schriftelijke verzoek van de patiënt en het toepassen van de euthanasie” (Wet euthanasie, art. 3, par. 3).
Het gaat hier over het inlichten van de patiënt over zijn of haar situatie, vooruitzichten en mogelijke behandelingen (Ned. Ver. Psychiatrie, p. 36). Om dit proces van overleg ernstig te nemen, zijn voldoende frequente en intensieve overlegmomenten nodig. De arts heeft aandacht voor de cognitieve en emotionele verwerking van de informatie door de patiënt. Ook een voldoende lange periode van overleg is nodig. Bij euthanasie in een niet-terminale situatie is één maand te beperkt, en is een periode van minstens zes maanden feitelijk noodzakelijk.

2. Consult van artsen

De tweede zorgvuldigheidsvereiste betreft de consultatie van twee artsen. Het wettelijk voorschrift is “een andere arts raadplegen over de ernstige en ongeneeslijke aard van de aandoening en hem op de hoogte brengen van de redenen voor deze raadpleging. De geraadpleegde arts neemt inzage van het medisch dossier, onderzoekt de patiënt en moet zich vergewissen van het aanhoudend en ondraaglijk fysiek of psychisch lijden dat niet gelenigd kan worden. Hij stelt een verslag op van zijn bevindingen. De geraadpleegde arts moet onafhankelijk zijn ten opzichte van zowel de patiënt als de behandelende arts en bevoegd om over de aandoening in kwestie te oordelen. De behandelende arts brengt de patiënt op de hoogte van de resultaten van deze raadpleging” (Wet euthanasie, art. 3, par. 2). In geval van een niet terminale situatie, moet de arts “een tweede arts raadplegen, die psychiater is of specialist in de aandoening in kwestie”. De taken van de derde arts zijn dezelfde als bij de eerste geraadpleegde arts, behalve dat die arts zich bovendien moet vergewissen “van het vrijwillig, overwogen en herhaald karakter van het verzoek” en die arts ook onafhankelijk moet zijn “ten opzichte van de eerste geraadpleegde arts” (Wet euthanasie, art. 3, par. 3).
De vormelijke zorgvuldigheidsvereiste houdt in dat de drie artsen de patiënt onderzoeken en elk afzonderlijk de drie inhoudelijke zorgvuldigheidsvereisten toetsen: het wilsbekwame verzoek, de medisch uitzichtloze toestand en de overtuiging dat er geen redelijke andere oplossing is. Bovendien is het essentieel dat de drie artsen mondeling met elkaar overleggen en streven naar een consensus in hun beoordeling van de drie inhoudelijke zorgvuldigheidsvereisten. Niet in het minst moeten de geconsulteerde artsen onafhankelijk zijn ten opzichte van de patiënt en de behandelende arts. Dit betekent dat de geconsulteerde artsen niet bij de behandeling van de patiënt betrokken zijn en niet in dezelfde voorziening van de behandelende arts werken (Ned. Ver. Psychiatrie, p. 41-45)

3. Overleg in interdisciplinair team

De volgende zorgvuldigheidvereiste gaat over het overleg in het interdisciplinair team. De wet geeft de volgende taak aan de arts: “indien er een verplegend team is, dat in regelmatig contact staat met de patiënt, het verzoek van de patiënt bespreken met het team of leden van dat team” (Wet euthanasie, art. 3, par. 2).
De zorgvuldigheidsvereiste stelt dat dit overleg niet vrijblijvend maar noodzakelijk is en dat het verplegend team verruimd wordt tot het interdisciplinair team. Om dit overleg ernstig te nemen zijn voldoende frequente en intensieve overlegmomenten nodig. Daarin streven de arts en het interdisciplinair team naar een consensus in hun beoordeling van de drie inhoudelijke zorgvuldigheidsvereisten. Met toestemming van de patiënt kan de arts ook vorige zorgverleners en de huisarts consulteren (Ned. Ver. Psychiatrie, p. 46).

4. Overleg met familie en naasten

De vierde zorgvuldigheidsvereiste is het overleg met familie en naasten die de patiënt aanwijst. De wet geeft aan de arts de volgende taak: “indien de patiënt dat wenst, het verzoek van de patiënt bespreken met zijn naasten die hij aanwijst; zich ervan verzekeren dat de patiënt de gelegenheid heeft gehad om over zijn verzoek te spreken met de personen die hij wenste te ontmoeten” (Wet euthanasie, art. 6, par. 2).
Het overleg met familie en naasten is een belangrijke zorgvuldigheidsvereiste. Zij zijn immers de naastbetrokkenen van de patiënt. Overleg met hen is voor de arts en de zorgverleners essentieel. De arts licht hen in over het traject van het levensperspectief en het euthanasieverzoek, terwijl zij zelf bijkomende informatie kunnen geven en zich kunnen voorbereiden op de rouwverwerking bij euthanasie. Als de patiënt geen overleg wil, zoeken de zorgverleners naar de achterliggende motieven en proberen deze te verhelderen. (Ned. Ver. Psychiatrie, p. 46-47).

5. Advies van supportgroep

De laatste zorgvuldigheidsvereiste is specifiek voor de groep Broeders van Liefde en houdt in dat de arts een advies aan de Centrale of de Lokale Supportgroep Levenseinde vraagt. Dit advies is richtinggevend maar niet bindend voor de behandelende arts.

 

3. BESLUITVORMING EN VOORAFGAANDE TOETSING

A. Gewetensbeslissing van de arts

Wanneer de arts tijdens het proces van toetsing van euthanasie aan de wettelijke voorwaarden en de specifieke zorgvuldigheidsvereisten tot de overtuiging komt dat deze voorwaarden en vereisten effectief vervuld zijn, komt hij of zij voor de beslissing te staan om zelf al dan niet euthanasie uit te voeren. Op basis van zijn of haar gewetensoordeel heeft de arts de volle vrijheid om te beslissen om al dan niet euthanasie uit te voeren. De wet garandeert immers de gewetensvrijheid van de arts. De wet waarborgt evenzeer de gewetensvrijheid van andere zorgverleners die gevraagd kunnen worden om aan euthanasie mee te werken. De wet stelt expliciet: “Geen arts kan worden gedwongen euthanasie toe te passen. Geen andere persoon kan worden gedwongen mee te werken aan het toepassen van euthanasie” (Wet euthanasie, art. 14).
Als de arts omwille van gewetensbezwaren geen euthanasie wil uitvoeren, is het belangrijk dat hij of zij dit tijdig en expliciet meedeelt aan de patiënt zodat er wederzijds geen onterechte verwachtingen ontstaan. Dan verwijst de arts de patiënt tijdig door naar een collega die reeds samenwerkt aan de behandeling van de patiënt of naar een andere collega die bij de behandeling betrokken wordt.

B. Bijkomend aandachtspunt bij euthanasie in residentiële context

De arts en de patiënt bepalen samen welke de meest aangewezen plaats is voor de uitvoering van euthanasie. Bij voorkeur is dit de thuissituatie of een thuisvervangende situatie van de patiënt. Ze bepalen de plaats in overleg met de familie en naasten, en met het interdisciplinaire team. In de overweging of de voorziening de meest aangewezen plaats is, houden ze rekening met de beleving en de leefwereld van de medepatiënten.
Een voorziening voor geestelijke gezondheidszorg is immers ook een leef- en woongemeenschap. Het uitvoeren van euthanasie kan een traumatiserende invloed hebben op andere patiënten. Daarom is het noodzakelijk dat de arts en het team van zorgverleners zoeken naar een handelswijze die een traumatiserend impact op de medepatiënten zoveel mogelijk voorkomt en beperkt, zowel bij de voorbereiding en de uitvoering van euthanasie als bij de nazorg
C. Voorafgaande toetsing
Wanneer euthanasie uitgevoerd wordt in de voorziening van de Broeders van Liefde, is een voorafgaande toetsing van de zorgvuldigheidsvereisten noodzakelijk. De reden hiervoor is dat we enerzijds de gewetensvrijheid van de arts willen respecteren, maar anderzijds ook met de grootst mogelijke behoedzaamheid willen omgaan met de uitvoering van euthanasie in een voorziening van de Broeders van Liefde. De verbinding tussen de gewetensvrijheid en de grootste behoedzaamheid maken we door een voorafgaande toetsing. De wet voorziet nu alleen een toetsing na de uitvoering van euthanasie: “De arts die euthanasie heeft toegepast, bezorgt binnen vier werkdagen het volledig ingevulde registratiedocument bedoeld in artikel 7 van deze wet aan de in artikel 6 bedoelde federale controle- en evaluatiecommissie” (Wet euthanasie, art. 5). Deze toetsing is zeer formeel en gebeurt nadat euthanasie is uitgevoerd. De grootste behoedzaamheid kan enkel gerealiseerd worden door een voorafgaande toetsing.
Deze voorafgaande toetsing gebeurt allereerst door de behandelende arts zelf. We vragen aan de arts om een schriftelijke en omstandige motivering van de beslissing over de uitvoering van euthanasie te formuleren, met daarin de motivering van vier elementen: (1) de wettelijke voorwaarden, (2) de specifieke zorgvuldigheidsvereisten, (3) de beslissing om zelf euthanasie uit te voeren of te laten uitvoeren in de voorziening en (4) het bijkomende aandachtspunt bij de uitvoering van euthanasie in een residentiële context. Deze motivering is op de eerste plaats bedoeld als een persoonlijke reflectie en verantwoording van de arts.
Het schriftelijk karakter maakt deze motivering ook toetsbaar door anderen. We vragen daarom dat de arts de schriftelijke motivering bezorgt aan de hoofdarts die de wettelijke verplichting heeft om de zorgvuldigheid van het medisch handelen in de voorziening te toetsen. De hoofdarts roept een evaluatiecommissie bijeen. Deze commissie is interdisciplinair samengesteld met een werkbaar aantal mensen. Ze bestaat uit drie geledingen. De eerste geleding zijn medewerkers uit de betrokken voorziening: de behandelende arts, de hoofdarts, en twee andere medewerkers waarvan minstens één niet-arts. Een tweede geleding bestaat uit minstens twee medewerkers van de groep Broeders van Liefde die expertise hebben in deze materie en niet tewerkgesteld zijn in de betrokken voorziening. De derde geleding bestaat uit minstens twee mensen van buiten de groep Broeders van Liefde die expert zijn in deze materie. De hoofdarts van de voorziening coördineert de evaluatiecommissie.
Indien deze evaluatiecommissie oordeelt dat er voldoende zorgvuldigheid in acht werd genomen bij de motivering van de vier bovengenoemde elementen, kan de behandelende arts, in overleg met de patiënt, familie, naasten en team, de euthanasie uitvoeren of laten uitvoeren op de meest aangewezen en passende plaats. Indien de commissie oordeelt dat onvoldoende zorgvuldigheid in acht werd genomen, wordt met aandrang aan de arts gevraagd om af te zien van de uitvoering van euthanasie. Niettemin behoudt de arts zijn of haar gewetensvrijheid.

NOOT

De Vlaamse Vereniging voor Psychiatrie en Zorgnet Icuro hebben beide een adviestekst met richtlijnen voor euthanasie bij psychisch lijden in een niet-terminale situatie geformuleerd. Deze twee adviezen stemmen in hun fundamentele visie overeen met en zijn in de praktijk complementair aan de visie van de Groep Broeders van Liefde. Het advies van de Vlaamse Vereniging voor Psychiatrie gaat evenwel uitvoerig in op de specifieke taken en verantwoordelijkheden van artsen. Dit advies stelt ook een ‘ronde tafel’ voor die de vorm kan aannemen van een ad hoc ethisch overleg van artsen, zorgverleners, leden van de commissie ethiek en indien nodig experten. Een dergelijke ronde tafel wordt in de visietekst van de Broeders van Liefde feitelijk gerealiseerd in de verschillende niveaus van overleg in de vormelijke zorgvuldigheidsvereisten, in het bijzonder in het advies van de centrale of lokale supportgroep levenseinde. Een ‘ronde tafel’ vervangt geenszins de voorafgaande toetsing door de evaluatiecommissie bij de Broeders van Liefde.

BRONNEN

Deze synthese is gebaseerd op de voortschrijdende reflectie en op eerdere documenten over het onderwerp in de groep Broeders van Liefde, waarvan de onderstaande nota’s de belangrijkste zijn:

  • Begeleidingscommissie ethiek GGZ Broeders van Liefde, Begeleiding van psychiatrische patiënten met een verzoek tot euthanasie in een niet-terminale situatie, onuitgegeven advies, 2006.
  • Raad van Bestuur vzw Provincialaat der Broeders van Liefde, Standpunt euthanasie bij psychisch lijden van psychiatrische patiënten in een niet-terminale situatie, Gent, Onuitgegeven beleidsnota Provincialaat der Broeders van Liefde, 2012.
  • Centrale Supportgroep Levenseinde, Zorgvuldigheidsvereisten voor euthanasie bij patiënten met een psychiatrische aandoening in een niet-terminale situatie, Onuitgegeven nota, 2014.

Andere belangrijke documenten met betrekking tot euthanasie en psychisch lijden:

 

Image
Raf de Rycke
Hij schopte het van leerkracht in Sint-Laurens tot voorzitter van de organisatie Broeders van Liefde. Al meer dan 50 jaar is Raf De Rycke een vaste waarde in de non-profitsector in ons land. Maar aan ophouden denkt hij nog niet. “Je wordt pas oud als je je idealen verliest.”
Gerelateerde wetenschappelijke artikels
Hoe kunnen we tegelijk het intimiderende chilling effect zoveel mogelijk ongedaan maken én toch voldoende openheid behouden voor legitiem voorbehoud van de arts tegen die druk van een patiënt?
Vanuit een brede achtergrond (fysiek, psychisch, sociaal, existentieel en spiritueel) en door het aangaan van een interpersoonlijke relatie met een persoon en zijn omgeving, is de psychiatrisch verpleegkundige vaak de meest beschikbare en nabije ...
Het doel van dit artikel is de vraag naar de specificiteit van de psychiatrische verschijnselen in herinnering te brengen, die essentieel is in dit debat. Wij willen ook onderzoeken waaruit ‘het goed luisteren naar de patiënt’ bestaat. Wij denken dat ...
Het was dus in de nasleep van de Wet op de euthanasie dat een duidelijke vraag ontstond naar goede zorg voor psychiatrische patiënten die ondraaglijk en uitzichtloos psychisch lijden. Naar analogie met palliatieve zorg in de lichamelijke geneeskunde ...

Schrijf je in op onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte